Uit elkaar na samenwonen: wat zijn mijn rechten?
Uit elkaar na samenwonen: wat zijn mijn rechten?
Korte conclusie: Voor ongehuwd samenwonenden gelden bij een breuk veel minder wettelijke regels dan voor echtgenoten of geregistreerde partners. Er bestaat geen automatische gemeenschap van goederen, geen wederzijdse onderhoudsplicht en geen wettelijk erfrecht; watieder heeft ingebracht blijft van die persoon, en afspraken over verdeling, woning, alimentatie of pensioen moeten in een samenlevingsovereenkomst of anderszins vooraf of bij breuk zelf worden gemaakt. Voor minderjarige kinderen gelden wél dwingende regels: beide ouders blijven verplicht tot onderhoud, en bij gezamenlijk gezag is een ouderschapsplan vereist.
Rechtspositie bij breuk
Anders dan bij huwelijk en geregistreerd partnerschap (zie Titel 5 en 5A van Boek 1 BW) kent de wet geen apart "samenwoonregime". De Hoge Raad en lagere rechtspraak gaan er vast van uit dat de op het huwelijk en geregistreerd partnerschap toepasselijke vermogensrechtelijke en onderhoudsrechtelijke bepalingen niet van toepassing zijn op ongehuwd samenwonenden. Alleen de dwingende regels over kinderen en ouderlijk gezag (Titel 11, 14 en 15 van Boek 1 BW) gelden ongeacht de relatie van de ouders.
1. Woning
Koopwoning
- Wie op het kadaster als eigenaar staat, is eigenaar (Boek 5 BW). De ander heeft geen mede-eigendomsrecht, ook niet na jaren meebetalen aan hypotheek of verbouwing.
- Wie zonder eigendomsrecht heeft meebetaald aan hypotheekrente, aflossing of waardeverbeterende uitgaven kan op grond van Boek 6 BW (ongerechtvaardigde verrijking/vergoedingsrechten) een financiële vergoeding vorderen, mits dat bewijs kan worden geleverd (rechtspraak Hoge Raad, o.a. arrest over samenwoners en vergoedingsrechten).
Huurwoning
- Artikel 7:266 BW (automatisch medehuurder) geldt alleen voor echtgenoot en geregistreerde partner. Een samenwonende partner wordt dus niet van rechtswege medehuurder.
- Wél kan een samenwonende partner op grond van artikel 7:267 BW de rechter verzoeken om medehuurder te worden. Dat kan als hij/zij minimaal twee jaar zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. De verhuurder kan binnen drie maanden instemmen; zo niet, dan kan de rechter de medehuurderschap toewijzen, behalve als er redelijke bezwaren zijn.
- Bij overlijden van de huurder tijdens de samenwoning kan de achtergebleven partner op grond van artikel 7:268 lid2 BW de huur voortzetten; de rechter kan op vordering een verlenging toestaan.
2. Inboedel en gezamenlijke spullen
De wettelijke gemeenschap van goederen van Boek 1 Titel 7 is niet van toepassing. Vuistregel:
- Wat op naam van één persoon staat of door één persoon is betaald, blijft van die persoon.
- Wat samen is gekocht, is gezamenlijk eigendom (Boek 5 BW); de waarde wordt in principe fifty-fifty verdeeld als de bijdrage niet anders kan worden bewezen.
- Cadeaus aan één van beide blijven in beginsel bij de ontvanger.
3. Schulden en bankrekeningen
Wie medeschuldenaar of mederekeninghouder is, blijft jegens de bank aansprakelijk. Een eigen bijdrage aan schulden van de ander levert geen eigendomsrecht op, wel kan een vergoedingsrecht ontstaan (Boek 6 BW).
4. Alimentatie tussen ex-partners
Tussen samenwoners bestaat geen wettelijke onderhoudsplicht, en dus geen recht op partneralimentatie na de breuk. Artikel 1:81 BW (en de artikelen 1:157 e.v. BW over duur en hoogte) ziet op echtgenoten. Een onderhoudsverplichting tussen ex-samenwoners kan alleen voortvloeien uit een samenlevingsovereenkomst of, in uitzonderlijke gevallen, uit Boek 6 BW (bijvoorbeeld ongerechtvaardigde verrijking of natuurlijke verbintenis). Voor de duidelijkheid: voor gehuwden/geregistreerde partners kan de alimentatie maximaal vijf jaar duren, met uitzonderingen (artikel 1:157 BW).
5. Kinderen
Hier gelden de dwingende regels van Boek 1 BW ongeacht de samenlevingsvorm:
- Beide ouders zijn op grond van artikel 1:392 BW verplicht hun minderjarige (en in studie zijnde meerderjarige) kinderen te onderhouden, in evenredigheid van hun draagkracht. Deze verplichting eindigt niet door de breuk.
- Gezag: de moeder oefent het gezag van rechtswege alleen uit (artikel 1:253b BW). De vader of duomoeder krijgt automatisch gezamenlijk gezag door erkenning (artikel 1:251b BW); anders kan het gezamenlijk gezag op verzoek in het gezagsregister worden aangetekend (artikel 1:252 BW).
- Ouderschapsplan: bij beëindiging van de samenleving met gezamenlijk gezag blijft het kind recht houden op gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders (artikel 1:247 lid 4 BW). De wet vereist dat ouders in een ouderschapsplan of overeenkomst afspraken vastleggen over verdeling van zorg en opvoeding, communicatie en kosten van de kinderen. Een ouderschapsplan moet in elk geval worden overgelegd bij een verzoek aan de rechter over gezag, omgang of alimentatie; de rechter kan de procedure aanhouden als het plan ontbreekt (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding).
- Omgang: ook na de breuk behoudt het kind recht op contact met beide ouders (artikel 1:377a BW).
6. Pensioen
De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS, Stb. 1994/342) geldt uitsluitend voor echtgenoten en geregistreerde partners (artikel 1 lid 2 van die wet). Samenwoners hebben dus geen wettelijk recht op verevening of conversie van het ouderdomspensioen van de ander. Veel pensioenuitvoerders bieden samenwoners (met een notariële samenlevingsovereenkomst) wel een bijzonder partnerpensioen aan; controleer altijd de polisvoorwaarden. Een afspraak over pensioenverevening kan wel contractueel in een samenlevingsovereenkomst worden vastgelegd.
7. Erfrecht
Een samenwonende partner is geen wettelijke erfgenaam. Artikel 4:13 BW (de wettelijke verdeling bij echtgenoot en kinderen) en artikel 4:8 BW (gelijkstelling van geregistreerde partners met echtgenoten in Boek 4) zijn niet van toepassing. De samenwonende partner erft alleen als de erflater een testament heeft gemaakt (Boek 4 Titel 5 en 6 BW). Bij ontbreken van een testament gaat de nalatenschap naar de bloedverwanten, niet naar de langstlevende partner.
Voorkom problemen: de samenlevingsovereenkomst
Omdat de wet voor samenwoners weinig dwingend regelt, is een (notariële) samenlevingsovereenkomst het belangrijkste instrument. Hierin kunnen partijen onder meer afspraken vastleggen over:
- kosten van de huishouding en wie wat bijdraagt;
- verdeling van (toekomstige) bezittingen, schulden en eventuele overwaarde van de woning;
- partneralimentatie voor de periode na de breuk;
- pensioenverevening of bijzonder partnerpensioen;
- erfstellingen of een partner-testament (in samenhang met Boek 4 BW).
Een samenlevingsovereenkomst is vormvrij, maar voor de meeste pensioenuitvoerders en banken is een notariële akte vereist.
Uitzondering: geregistreerd partnerschap
Wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan, valt wél onder de meeste regels van het huwelijksvermogensrecht en het onderhoudsrecht (artikelen 1:80a, 1:80c, 1:99 en 1:149 BW; artikel 4:8 BW). Bij beëindiging gelden dan dezelfde rechten en plichten als bij echtscheiding, inclusief partneralimentatie, pensioenverevening en wettelijk erfrecht.
Tot slot
Deze tekst is een algemene uitleg van het geldende recht, geen juridisch advies voor uw persoonlijke situatie. Voor een concrete kwestie (bijvoorbeeld vergoedingsrechten op de woning, hoogte van kinderalimentatie of de inhoud van een samenlevingsovereenkomst) is raadpleging van een advocaat of notaris aan te bevelen.
Bronnen (geraadpleegd via wetten.overheid.nl):
- Burgerlijk Wetboek Boek 1, artikel 1:247, 1:251b, 1:252, 1:253b, 1:157, 1:253aa, 1:392 en1:377a
- Burgerlijk Wetboek Boek 4, artikelen 4:8 en 4:13
- Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikelen 7:266, 7:267 en 7:268
- Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS)
- Informatie Rijksoverheid / notaris.nl over rechten van samenwoners